FBZ: Zorgverlening bij werknemers met psychische klachten en/of somatisch onverklaarbare lichamelijke klachten: onderzoek naar ervaringen met gezondheidsmanagement binnen UMC’s

Thema: Overige

Deel

Doel

Uit de literatuur blijkt dat een derde van het ziekteverzuim te wijten is aan psychische klachten en/of SOLK. Dit geldt als één van de redenen waarom sommige interne arbodiensten van de acht UMC’s , zoals het AMC, het UMCU en het LUMC een tweedelijns psycholoog hebben aangetrokken. Binnen andere UMC’s in Nederland is de “psychologische discipline” of de doorverwijzing hiernaar de laatste jaren juist wegbezuinigd, waardoor de situatie ontstaat dat de toegang tot het consulteren van een psycholoog bij gebleken SOLK en/of psychische klachten per UMC essentiële verschillen laat zien. Het onderhavige onderzoek zoomt in op deze verschillen en  stelt de vraag: “Welke verschillen zijn er tussen de UMC’s die wel en niet een psycholoog in dienst hebben ten aanzien van de ervaringen van bedrijfsartsen met werknemers met SOLK en/of psychische klachten?”

Doelgroep

Werknemers die verzuimen van hun werk wegens Somatisch Onvoldoende verklaarde Lichamelijke Klachten en/of psychische klachten zoals angst of depressie en daarmee de bedrijfsarts consulteren.

Resultaten

Er blijken grote verschillen te bestaan in de wijze waarop de zorgverlening bij psychische klachten van werknemers van de acht UMC’s is georganiseerd. Deze verschillen hebben onder andere betrekking op:
• het aantal bedrijfsartsen, bedrijfsmaatschappelijk werkers en psychologen dat bij deze zorgverlening is betrokken;
• de wijze en de omvang van hun aanstelling;
• de toegang tot de drie professionals;
• het feit of verzuimende werknemers na een x aantal dagen wordt opgeroepen op een verplicht verzuimspreekuur;
• het feit of er al of niet van intermediaire functie sprake is, zoals een verzuimconsulent;
• affiniteit met en kennis van psychische klachten van bedrijfsartsen;
• de wijze waarop aan de arbodienst sturing wordt gegeven, resulterend in het voorgeschreven beleid.
Dit is slechts een greep uit de organisatorische verschillen tussen de acht UMC’s. Opvallend is het feit dat de ondervraagde professionals nagenoeg zonder uitzondering een voorstander zijn van het systeem van zorgverlening binnen hun eigen UMC. Dat kan duiden op de gedrevenheid van deze beroepsbeoefenaren, maar geeft ook aan dat meerdere zorgverleningssystemen voor de daarbij betrokken zorgprofessionals blijkbaar tot bevredigende resultaten leiden